Het fascisme is vernoemd naar de politieke ideologie van Mussolini in het Italië van de jaren twintig. Mussolini richtte zijn Fascio di Combattimento (Strijdbond) in 1919 op. Het symbool van zijn ideologie is de ‘fasces’, roedelbundels met een bijl in het midden, een teken dat ontleend is aan het Romeinse Rijk.
Mussolini was eerst lid van de socialistische partij, maar hij werd daar in 1914 uitgezet omdat hij voor deelname aan de oorlog was.
In 1922 ontketent hij een revolutie. Deze ‘Mars naar Rome’ is een groot succes. Tot 1943 zal hij als dictator aan de macht blijven.
In het politieke veld wordt het fascisme uiterst (ultra-) rechts geplaatst. De fascistische ideologie keert zich tegen de democratie. Fascisten staan één leider voor. Die leider wordt verheerlijkt en kent absolute macht. Het socialisme is een vijand van het fascisme.
Het fascisme is nationalistisch: het eigen volk of ras wordt boven andere volken en rassen geplaatst. Het fascisme gaat uit van het principe van ongelijkheid.
Geweld neemt een belangrijke plaats in binnen de fascistische politiek. Met behulp van geweld moest het volk in het gareel worden gehouden, als dat nodig was. In het conflict tussen Israël en zijn buurlanden beschuldigen de tegenstanders elkaar voortdurend van fascistisch gedrag.
De opkomst van het fascisme kan verklaard worden uit de ontevredenheid van het volk. De stroming komt op in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, De soldaten keren terug naar huis, na een lange en vermoeiende strijd zijn zij toe aan verandering en verbetering. Mussolini richt zich op die soldaten. Daarnaast vindt in Rusland de revolutie plaats en grijpt het communisme ook elders in Europa om zich heen. Het fascisme keert zich tegen het communisme. Mussolini meent dat hij het land het best alleen kan leiden en grijpt zijn kans tijdens de onrustige jaren na de oorlog.
Ook het nationaal-socialisme van Hitler is een vorm van fascisme. Zowel Hitler als Mussolini richten zich tegen de moderne samenleving en de begrippen ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Zij willen de banden van volk, ras en familie beschermen. Zij zijn bondgenoten tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Beide leiders maken gebruik van moderne propagandamiddelen op massaal niveau. Daarnaast nemen symbolen die op alle mogelijke plekken in de samenleving terugkomen een belangrijke plaats in binnen de ideologie.
Antisemitisme is één van de belangrijkste kenmerken van het Duitse fascisme. Hitler vindt in de joden de grootste zondebok. Daarnaast keert hij zich tegen zigeuners, homoseksuelen en gehandicapten.
Volgens Hitler moeten alle ‘onzuivere’ elementen uit de samenleving worden verwijderd. Dat zijn volgens de Duitse Führer bovengenoemde groepen.
Al in de jaren voor de oorlog separeert Hitler de in Duitsland wonende joden door nieuwe wetten. Bepaalde facetten van het openbare leven worden voor hen verboden terrein. Tijdens de oorlog worden de joden afgevoerd naar concentratie- en vernietigingskampen om daar tewerkgesteld te worden of direct te worden vermoord. Hetzelfde gebeurt met diegenen die tot andere niet-arische groepen behoren.
Het Italiaanse fascisme stort in 1943 in als de geallieerden op Sicilië landen. Mussolini wordt in 1945 doodgeschoten. Ook het Duitse nationaal-socialisme verdwijnt met de ondergang van het Derde Rijk.
Na de Tweede Wereldoorlog is het fascisme een taboe, maar het verdwijnt niet helemaal uit de samenleving. Nog steeds zijn in veel landen kleine neofascistische groeperingen actief. De ideeën van deze groepen vertonen overeenkomsten met het fascisme.