Grieks manuscript van delen van het Oude en het Nieuwe Testament.
De Codex Sinaïticus werd in 1859 door Constantijn Tischendorf gevonden op de berg Sinaï in het klooster van St. Catherina. Het bestaat uit Griekse hoofdletters op velijn (schapen-en geitenvellen). Zijn vondst wordt als een wonder beschouwd. De bibliothecaris gaf aan dat de perkamenten verbrand zouden worden. Dat was al eerder met een groot aantal perkamenten gedaan.
Tischendorf vond de eerste fragmenten, waaronder het boek Esther, in 1844. Hij keerde daarna tweemaal terug, op zoek naar meer materiaal. In 1859 deed hij zijn grootste vondst: grote delen van het Oude Testament en het complete Nieuwe Testament. Het manuscript werd een tijdje bewaard in Sint Petersburg in Rusland, nadat Tischendorf het voor elkaar kreeg dat de monniken het cadeau doen aan de Russische tsaar. Momenteel bevindt het zich, samen met de Codex Alexandrinus, in het Brits Museum.
De Codex Sinaïticus, vernoemd naar de vindplek, moet ongeveer even oud zijn als de Codex Vaticanus. Het wordt geplaatst in de vierde eeuw, voor de Codex Alexandrinus en de Codex Ephraemi Rescriptus. Waar het manuscript voltooid is kan niet met zekerheid worden gesteld, maar er wordt vanuit gegaan dat het in Rome, Egypte of Caesarea is.
Geleerden plaatsen de Codex Vaticanus als belangrijkste is de reeks, daarna volgt de Codex Sinaïticus. Dat geldt met name voor het Nieuwe Testament. Voor wat betreft het Oude Testament zijn de Codex Sinaïticus en de Codex Alexandrinus het meestal met elkaar eens. De vondst is zeer belangrijke bron voor de studie van bijbelhandschriften.