Eerste Joodse opstand (of Joodse Oorlog) 66-70 n. Chr.
Er worden verschillende oorzaken voor genoemd. Zo zijn in het begin van onze jaartelling in het Joodse woongebied Romeinse procuratoren aan de macht. Ze maken de Joden meer belastinggeld afhandig dan zij officieel zouden moeten betalen.
Keizer Caligula eist in het jaar 39 dat zijn beeld in elke tempel van het Rijk komt te staan. De Joden weigeren dit.
In 49 worden de Joden uit Rome verbannen door keizer Claudius omdat er ruzie was geweest tussen orthodoxe en christelijke Joden.
In 64 begint keizer Nero met een christenvervolging. De aanleiding is de valse beschuldiging dat christenen Rome in brand hebben gestoken.
In het jaar 66 steelt Florus, de Romeinse procurator op dat moment, kostbaarheden uit de Joodse tempel. Er breekt opstand uit. De onderdrukten vechten onder leiding van de Zeloten: Joden die onder invloed van het Romeinse beleid zijn geradicaliseerd. De opstand wordt hardhandig onderdrukt door Titus, waarbij Jeruzalem verwoest wordt.
Tweede Joodse opstand (of: Kitosoorlog) 116-117 n. Chr.
Hadrianus beveelt de dood van alle Joden in Mesopotamië. In 116 breekt de tweede opstand uit, die een jaar later met grof geweld wordt neergeslagen. In 117 verbiedt de keizer de besnijdenis van Joodse kinderen. Tijdens zijn regeerperiode voert hij verscheidene anti-Joodse maatregelen door. Joden mogen zich niet langer binnen een straal van honderd meter van de Jeroeshalaijim (Jeruzalem) bevinden. Hadrianus verbiedt het houden van sabbat. Ook verbiedt hij studie van de Tora. Vooral in Lydda (het huidige Lod) richten Romeinse soldaten een massaslachting aan.
Derde Joodse opstand(of Bar Kochba Opstand) 132-135 n. Chr.
De derde is de grootste en laatste. Hij begint in het jaar 132. Shimon Bar Kochba, die ook wel de Mashiach (Messias) wordt genoemd, heeft de leiding.
De Romeinen slaan de opstand deze keer op genadeloze en uiterst bloedige wijze neer. Aan het eind ervan, in 135, vinden meer dan 600.000 Joden de dood. Sommige historici spreken van een miljoen. Anderen worden tot slaaf gemaakt of gedeporteerd. Joodse politieke en religieuze leiders worden geëxecuteerd.
Jeruzalem (Jeroeshalaijim) wordt verwoest en in Romeinse stijl herbouwd. Aelia Capitolina is haar nieuwe naam, vernoemd naar de Romeinse god Jupiter Capitolinus. De naam Judea wordt veranderd in de naam Syrisch Palestina. De Tempel van God wordt gewijd aan Zeus.
De overlevenden vluchten alle kanten op. Het dramatische vertrek, de ontruiming van het Joodse land Judea en de eeuwenlange vestiging van Joden in andere landen, krijgt een naam die vandaag nog actueel is: ‘omzwerving’ of diaspora.