(Groot-) moefti van Jeruzalem. Fel antisemiet. Koestert nationalistische ideeën. Voert een gewelddadige politiek tegen andersdenkenden. Collaboreert met Hitler tegen de Joden. Pleegt oorlogsmisdaden maar ontloopt zijn straf. De geallieerden zijn bang voor de Arabische reactie.
Al-Hoesseini is geboren in 1893, in
Jeruzalem, als zoon van een rijke
moefti. Na korte tijd islamitisch recht te hebben gestudeerd en een
pelgrimstocht naar
Mekka te hebben ondernomen, meldt Hoesseini zich tijdens de
Eerste Wereldoorlog aan om te dienen in het Ottomaanse leger. In 1917 keert hij echter terug naar
Jeruzalem en stapt hij over naar de
Britse overwinnaars.
Hoesseini ontpopt zich als fanatiek antizionist. In 1920 krijgt hij door de
Britten een gevangenisstraf van tien jaar opgelegd voor het starten van rellen tegen biddende
joden. Hoesseini vlucht echter het land uit, en hoeft zijn straf niet uit te zitten.
Wanneer een jaar later de
moefti van
Jeruzalem overlijdt, laat de
Britse High Commissioner van
Palestina, Herbert Samuel, zelf van joodse afkomst, zich door antizionisten in zijn staf overhalen om de anti-Britse en antizionistische Hoesseini pardon te verlenen en aan te stellen als nieuwe
moefti. Hierbij noemt Samuel hem zelfs
grootmoefti, een term die eerder niet bestond.
In ruil voor zijn aanstelling als
moefti, zorgt Hoesseini ervoor dat de onrust in
Jeruzalem de kop ingedrukt wordt. Hij verzekert Samuel dat hij de rust voortaan zal bewaren. Tegelijkertijd wordt Hoesseini president van een nieuw opgerichte Hoge Moslimraad, waardoor hij zowel religieus als politiek leider van de Arabieren wordt.
Voordat Hoesseini
moefti wordt, zijn er Arabieren in
Palestina die voorstander zijn van een situatie waarin Arabieren en
joden samen in vrede het land bewonen. Hoesseini wil daar echter niets van weten. Hij wil koste wat kost dat alle
joden uit
Palestina vertrekken.
Zodra Hoesseini aan de macht is, begint hij een terreurcampagne tegen iedereen die het niet met hem eens is. Hij doodt zowel
joden als Arabieren die zijn beleid niet steunen. Vredesonderhandelingen wijst hij af. Hiermee vertegenwoordigt Hoesseini een voor die tijd nieuw, gewelddadig soort Palestijns
nationalisme.
In 1929 beschuldigt Hoesseini lokale
joden er valselijk van, moskeeën vervuild en in gevaar gebracht te hebben. Hij roept de Arabieren op: “Izbah Al-Yahud!”, oftewel “Slacht de Joden!” Dit leidt tot de dood van zestig Joodse inwoners van
Hebron. Hoesseini wakkert de rellen aan door foto’s van in
Hebron gedode
Joden te laten zien met de boodschap dat het Arabieren zijn, gedood door
Joden.
Als
moefti laat Hoesseini onder andere de
Al-Aqsamoskee en de
Rotskoepel restaureren, waarbij de koepel met goud bedekt wordt. Dit verhoogt het aanzien van
Jeruzalem bij
moslims overal ter wereld, en daarmee ook de status van Hoesseini.
Zes Arabische leiders vormen in 1936 het Hoger Arabisch Committee, waar Hoesseini hoofd van wordt. Deze organisatie protesteert tegen de
Britse steun voor het
zionisme in
Palestina. In april van dat jaar breken rellen uit in Jaffa, het begin van een drie jaar durende periode van geweld en onrust in
Palestina. Het
terrorisme, gericht tegen
Joden en
Britten, wordt geleid door het Hoger Arabisch Committee.
In 1937 laat Hoesseini weten dat hij het eens is met de nazi’s in
Duitsland. Hij vraagt het
Derde Rijk om tegenstand te bieden aan de stichting van een Joodse staat in
Palestina en de Joodse
immigratie, en wapens te leveren aan de Arabische bevolking.
In datzelfde jaar ontmoet hij toekomstig nazi-kopstuk Adolf
Eichmann. Na deze ontmoeting verleent de SS hem, volgens documenten die bij
Eichmann’s proces en de
Neurenbergse processen naar boven komen, inderdaad financiële steun voor de rellen in 1936-1939.
Als er een poging wordt gedaan om de
Britse inspecteur-generaal van de Palestijnse politiemacht te doden en
Joden en gematigde Arabieren door extremisten worden gedood, verklaren de
Britten het Hoger Arabisch Committee illegaal. Hoesseini verliest daardoor zijn functie als president van de Hoge Moslimraad en wordt verbannen naar
Syrië, van waaruit hij zijn werk voortzet.
Vanuit
Bagdad steunt Hoesseini de pro-nazi opstand van 1941. In november van dat jaar ontmoet hij
Hitler. De rest van de oorlog verblijft hij in
Duitsland, waar hij
moslims in radioboodschappen oproept om
joden uit te roeien en mee te vechten in het Duitse leger. In Berlijn is Hoesseini één van de adviseurs van
Hitler en
Eichmann. Hij roept op tot de systematische vernietiging van
joden in concentratiekampen. Volgens een getuige bij de Neurenbergprocessen brengt Hoesseini zelfs een bezoek aan de gaskamers in
Auschwitz.
Als
Duitsland in 1945 de oorlog verliest gaat Hoesseini naar
Egypte. Daar wordt hij als held ontvangen. Hij wordt wel beschuldigd van oorlogsmisdaden, maar er komt nooit een proces. De geallieerden zouden bang zijn voor de reactie van de
Arabische wereld.
Hoesseini steunt vanuit
Egypte de oorlog tegen de nieuwe staat
Israël in 1948, en wanneer de Jordaanse koning Abdullah de functie van grootmoefti van
Jeruzalem aan iemand anders geeft, laat hij hem vanuit
Egypte vermoorden. De twee volgende koningen verlenen Hoesseini echter geen toestemming om
Jeruzalem binnen te komen, omdat ze inzien dat de voormalige leider de vrede in de regio in gevaar zal brengen.
Met het verlies van de Arabische legers tegen
Israël in 1948, neemt ook de macht van Hoesseini af. Hij overlijdt uiteindelijk in
Egypte in 1974, zonder dat hij – na 1937 - ooit nog in
Jeruzalem is teruggeweest.
Zijn neef
Yasser Arafat herdenkt Hoesseini in 2002 als nationale held en symbool van Palestijns
verzet.