Verdwenen volk. Maakte deel uit van het Semitische ras, waar ook Arabieren en Joden bij horen. Gedurende het grootste gedeelte van het O.T. bezette dit volk het noordelijke deel langs de Tigris van wat nu Irak heet.
Na de dood van koning
Salomo, rond 930 v. Chr. (er zijn ook andere dateringen) wordt het land - na een opstand - opgesplitst in twee aparte koninkrijken,
Israėl en Juda. In 722 v. Chr. veroveren de Assyriėrs het koninkrijk
Israėl (= de tien noordelijke stammen). De Assyriėrs voeren de inwoners van
Israėl, ook wel het Noordelijk Rijk genoemd, in ballingschap weg. Dit deel van het Israėlitische volk verdwijnt in de geschiedenis, d.w.z. dat ze vermoedelijk volledig zijn opgegaan (assimileren) in het volk dat ze veroverd heeft.
De Assyriėrs zijn de buren van de Babyloniėrs. Anderhalve eeuw later, in 586 v. Chr., veroveren die het koninkrijk Juda (de twee zuidelijke stammen, die van Juda en Benjamin) en voeren een groot deel van de bevolking in ballingschap af.
De belangrijkste steden van de Assyriėrs zijn Ninevé, Assur en Kalah. Aan Ninevé is een merkwaardig bijbelverhaal verbonden. De profeet Jona krijgt van
God opdracht de heidense stad te bekeren. Hij weigert, gaat naar de kuststad Joppe (de stad die nu Jaffa heet) en vertoeft tijdelijk in een walvis. Daarna vervult hij zijn opdracht. Theologen noemen dit de start van het
universalisme. In dit verhaal lijkt
God zich voor het eerst druk te maken over het zielenheil (bedoeld wordt behoud of redding voor de eeuwigheid) van andere volken dan de
Joden.
In 735 v. Chr. verslaan de Assyriėrs de Babylonische vijanden van Juda, maar keren zich vervolgens tegen Juda. In 701 v. Chr. belegert het Assyrische leger
Jeruzalem, onder leiding van Sanherib. In archeologische zin is het volk is bekend geworden door teksten op bewaard gebleven kleitabletten (te zien in o.a. het Egyptisch Museum in Cairo).