Vrije Encyclopedie van het Conflict IsraŽl - Palestina
www.vecip.com
   


Jakob (of: Jacob, Yaíakov)



Zoon van Izašk. Kleinzoon van Abraham. Jongere broer van Ezau. Hoort samen met grootvader en vader tot de aartsvaders of patriarchen. Vanwege zijn Ďstrijd met God en mensení krijgt hij een nieuwe naam: IsraŽl. De naam roept ook vandaag nog bij miljoenen mensen onrust en strijdlust op.

De naam Jakob heeft diverse betekenissen, die allemaal op hetzelfde neerkomen. ĎVerzenenhouderí (omdat hij bij zijn geboorte de hiel (= verzen) van zijn oudere broer zou hebben vastgehouden), Ďslinkseí en Ďlistige bedriegerí zijn er een paar van.

 

Inderdaad, Jakob weet door een paar slimme trucs het Ďeerstgeboorterechtí van zijn tweelingbroer Esau (of: Ezau), die eerder ter wereld was gekomen, over te nemen. Als Esau op een dag hongerig en uitgeput terugkomt van de jacht, ruilt Jakob een bord linzensoep tegen het eerstgeboorterecht. Later krijgt hij ook de zegen van zijn slechtziende vader Isašk (of: Izak, Isaac, Izašk), door zich als Esau te verkleden.

 

Uit angst voor repressie van Esau, vertrekt Jakob naar een oom in MesopotamiŽ, waar hij met diens dochter Rachel wil trouwen. De oom zorgt echter dat hij na zeven jaar hard werken eerst met Rachelīs zus Lea trouwt. Na nog zeven jaar kan hij eindelijk met zijn geliefde in het huwelijk treden.

 

Hij keert terug naar Kanašn en maakt onderweg een gevecht mee, waarbij hij als overwinnaar uit de bus komt. De persoon (man, engel, God, Jezus of de stamgod van Esau) met wie Jakob heeft gevochten, noemt hem vervolgens IsraŽl, een naam die īstrijder van Godī (of: strijder met God, of strijder vůůr God) betekent (Genesis 32:28; zie onder). Jakobīs nageslacht wordt daarom aangeduid met de term IsraŽlieten.

 

Genesis 32
24 Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak.
25 Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht.
26 Toen zei de ander: ĎLaat mij gaan, het wordt al dag.í Maar Jakob zei: ĎIk laat u niet gaan tenzij u mij zegent.í
27 De ander vroeg: ĎHoe luidt je naam?í ĎJakob, Ďantwoordde hij.
28 Daarop zei hij: ĎVoortaan zal je naam niet Jakob zijn maar IsraŽl, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.í
29 Jakob vroeg: ĎZeg me toch hoe u heet.í Maar hij kreeg ten antwoord: ĎWaarom vraag je naar mijn naam?í Toen zegende die ander hem daar.
30 Jakob noemde die plaats PeniŽl, Ďwant, Ďzei hij, Ďik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.í
31 Zodra hij bij PeniŽl was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank.
32 Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de IsraŽlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.
(NBV)

 

De twaalf zonen die Jakob kreeg gaan de geschiedenis in als de twaalf stammen van IsraŽl. Het zijn de stammen van Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Gad, Aser, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin.

 

De vierde zoon van aartsvader Jakob is Juda, waar de term jood (Jehoedi) vandaan komt. Later, in de tijd van de Babylonische ballingschap, worden de inwoners van het Koninkrijk Juda Joden genoemd - en niet alleen het nageslacht van Juda zelf. De term IsraŽlieten verdwijnt en maakt plaats voor de term Joden.




Meer informatie:



Gerelateerde onderwerpen:

Babylonische ballingschap | Genesis | God | Isaac | IsraŽl | Izak | Jezus | Joden | MesopotamiŽ | Rachel

Thema's:


  • Israel





  • www.vecip.com

    Zoek via Google in deze site naar:
    Voeg deze site toe aan favorieten